'Ik realiseerde me dat het nergens op sloeg, denken dat ik te jong was voor deze functie'

Geen exit-, maar entree-interview met Maral Noshad Sharifi. De nieuwe Amerika-correspondent voor de Volkskrant.

Maral Noshad Sharifi (1989) volgt in de zomer Michael Persson op als de Verenigde Staten-correspondent voor de Volkskrant. Na jaren op de buitenlandredactie van NRC Handelsblad in Amsterdam, verhuist ze eind juli terug naar New York. De plek waar ze tien jaar geleden studeerde aan de Columbia School of Journalism en stageliep bij RTL’s Erik Mouthaan. “Ik ben enorm opgewonden over mijn nieuwe baan”, vertelt Noshad Sharifi aan de telefoon. “Soms loop ik half hyperventilerend door het huis. Ik heb er zin in!”

De Buitenlandredactie sprak met Noshad Sharifi over haar aanstaande vertrek, haar plannen in de VS en hoe haar werk als buitenlandredacteur geholpen heeft in het voorbereiden op haar correspondentschap.


Je vertrekt deze maand naar de VS om daar te beginnen als correspondent voor de Volkskrant. Wat houdt jou bezig deze laatste dagen in Nederland?

Ik heb net heel veel haring gehaald en ik eet de laatste tijd sowieso veel dingen die ik straks niet meer kan eten. Dus als je me hoort smakken tijdens dit interview, weet je hoe dat komt.

Ben je nog dingen aan het regelen?

Mijn visum is inmiddels aangevraagd. Verder heb ik mogelijk al een optie op een appartement. Ik heb geregeld dat ik het Janssen-vaccin krijg zodat ik niet nog een tweede vaccin nodig heb, en niet ongevaccineerd de VS binnenkom. Ik ben veel boeken aan het lezen, podcasts aan het beluisteren en eigenlijk ben ik ook al begonnen met het benaderen van mensen die ik daar wil interviewen.

De correspondenten-knop is al om dus…

Absoluut. Soms loop ik half hyperventilerend door het huis. Als het begint te tollen dan herinner ik mezelf eraan dat het belangrijk is om mijn kalmte te bewaren. Ik hoef niet alles van te voren uitgestippeld te hebben. Ik heb vijf jaar de tijd en ik ga allemaal bijzondere verhalen tegenkomen die ik nu niet eens kan bedenken.

Je hebt zes jaar gewerkt op de buitenlandredactie van NRC en stond dagelijks in contact met correspondenten. Denk je dat dit je goed heeft voorbereid op je eigen correspondentschap?

Ik denk het wel. Eerst was ik bureauredacteur West-Europa en later Afrika. Iedere dag had ik wel contact met de correspondenten die in mijn regio zaten. Dus ik weet een beetje hoe hun dagen eruitzagen. Als verslaggever ben ik zelf ook veel op pad geweest: in Scandinavische landen, Griekenland voor de migratiecrisis en veel in Afrikaanse landen. Ik weet dus ook wel een beetje hoe het is om correspondent te zijn. Maar ik was er nooit langer dan drie weken. Dat maakte dingen wel ingewikkeld.

Ik vind het best vervelend om op afstand te moeten zijn van de mensen waarover ik schrijf. Het is zo waardevol om dingen van dichtbij mee te maken. Ook tijdens corona was het frustrerend dat ik bijna niet kon reizen en dat ik telefonisch verhalen moest maken. Als je dan schrijft over landen die niet veel verschillen van het land waarin je woont, neem België, dan kan je daarmee wegkomen. Maar als je over landen schrijft waar de dagelijkse realiteit heel erg anders is dan die van jou, dan vind ik het niet echt wenselijk om telefonische interviews te doen. Eigenlijk wil ik zien waar die persoon is en daar even rondhangen.

Ik ben blij dat ik nu niet meer aan afstandsjournalistiek hoef te doen. In de VS zal ik ook niet overal bij zijn, maar ik spreek wel dezelfde taal en ben in dat land.

Denk je dat je met jouw ervaring ook de ‘nieuwe correspondenten-clichés’ kunt vermijden? Beschrijven wat iedere nieuwkomer beschrijft als die moet wennen aan een land, zoals het aansluiten van de elektriciteit, de huurmarkt, winkelcultuur etc?  

Mag je dat niet doen? [Lacht] Ik weet het niet. Je bent altijd op zoek naar originele verhalen en invalshoeken en niet de clichédingen die al vaak zijn gedaan. Ik kan niet garanderen dat ik in zo’n situatie er toch niet over ga schrijven. Maar goed, ik heb tien jaar geleden ook twee jaar in New York gewoond, dus nieuw is het in ieder geval niet. Ik ben heel erg benieuwd hoe het land is veranderd in de afgelopen tien jaar.

Met dat in je achterhoofd: welke verhalen wil jij straks vertellen over Amerika?

Ik heb wel een aantal mooie verhaalideeën, die ik hier natuurlijk niet ga vertellen. [Lacht]. Er zijn de vanzelfsprekende thema’s: zoals de politieke polarisatie. Volgend jaar komen de midterms eraan en de vraag: gaat het Biden lukken om een deel van de Trump-achterban tevreden te houden?

Het land lijkt in een tussenfase te zitten en is zichzelf opnieuw aan het uitvinden. Het is een tijd waarin de betekenis van woorden als rechtvaardigheid, rijk en arm opnieuw gedefinieerd worden. Ik hoop dat ik de komende vijf jaar kan achterhalen wat het voor Amerikanen nog betekent om Amerikaan te zijn.

Het vertrouwen in de media en de persvrijheid in Amerika zijn de afgelopen jaren sterk gedaald. Met 2020 als een gewelddadig dieptepunt. Hoe bereid jij je voor op dit onvriendelijke milieu voor journalisten?

Ik wil daar een veiligheidstraining gaan doen die ook voor Amerikaanse journalisten is bedoeld. Niet eentje hier, want ieder land heeft z’n eigen problematiek als het op veiligheid aankomt.

Tien jaar geleden ben ik ook in Amerika journalist geweest en toen wist ik hoe ik contact moest maken met mensen, hoe ik mij in bepaalde buurten moest gedragen. Maar ja, ik zal nu ook naar bijeenkomsten gaan waar mensen met wapens op zak lopen. Dat heb ik met mijn chef besproken. Misschien moet ik dan wel een kogelvrijvest aanschaffen. Je wilt hier niet naïef over zijn.

Heb je het gevoel dat je het wiel opnieuw moest uitvinden als freelance correspondent?

Bij NRC hield ik mij in de redactieraad bezig met de situatie van de freelancers. Nu ben ik er zelf een. Eigenlijk heb ik gedaan wat heel veel aanstaande freelance correspondenten doen: praten met collega’s en kijken hoe zij dit hebben aangepakt. Zoals AD-correspondent Karlijn van Houwelingen, die heeft mij best wel veel advies gegeven. Net als oud-NRC-correspondent Guus Valk.

Ik ervaar de overstap van een vast contract naar freelance niet als ‘devastating’. Ik vind het ook weer interessant dat je, als je de ruimte hebt, voor andere media dingen kunt doen. Je kunt je horizon verbreden. En mocht ik het idee hebben dat het financieel zwaar wordt, dan zal ik dat meteen met de Volkskrant bespreken. Daar is ruimte voor en dat voelt ook als een soort stok achter de deur.

Wat zou je jonge journalisten aanraden, die jou naar Amerika zien vertrekken en hetzelfde ambiëren?

Sommige mensen die beginnen in de journalistiek willen meteen voor de grootste media werken. Dat hoeft niet. Ik denk dat het vooral belangrijk is om eerst een beetje verliefd te worden op het vak en je niet al te zenuwachtig te voelen over alles. Je moet de tijd nemen om te leren hoe een goed verhaal in elkaar zit, en openstaan voor verschillende soorten onderwerpen.

Ik begon in de journalistiek na een studie politicologie. Ik dacht, o ja ik moet dus over politiek schrijven. Toen ging ik opeens op pad om allerlei niet-politieke verhalen te maken - en dat bleek juist weer interessanter te zijn. Wat mij heeft geholpen is dat ik al vroeg op reis ben gegaan. En dat kon ook bij NRC, zo ben ik de buitenlandverslaggeving ingegaan. Mijn advies: ontwikkel je breed en staar je niet blind op wat je voor die ene krant wilt doen.

Heb je een advies met betrekking op sociale media?

Laat je niet te veel afleiden door alle ruis op Twitter. Sommige mensen die dat teveel doen worden er logischerwijs wat kleinzielig en bozig van. Laat je niet te veel meevoeren met sociale media en focus je op wat belangrijk is: dat we allemaal goede, integere journalisten worden met veel contacten in verschillende lagen van de samenlevingen zodat we belangrijke verhalen kunnen vertellen.

Correspondent Amerika is een prestigieuze post. Ik zie steeds meer jonge en meer diverse journalisten, en ook steeds vaker vrouwen, die prestigieuze posten vervullen. Meer dan, zeg twintig of dertig jaar geleden. Ervaar jij ook dat merites veel belangrijker zijn geworden dan senioriteit?

Ik zie ook dat er steeds meer jonge vrouwen naar regio’s gaan waar dat in het verleden misschien vaker mannen waren. De VS zijn zeker een plek waar het best wel duidelijk is dat de meerderheid van de correspondenten in het verleden mannen waren. Kijk maar naar de bekende gezichten – Charles Groenhuijsen, Max Westerman, Erik Mouthaan, Eelco Bosch van Rosenthal.

Voordat ik solliciteerde schoot door mijn hoofd: deze plek gaat naar een meer senior journalist. Toen keek ik naar mezelf in de spiegel en zag dat ik best veel grijze haren heb. Dus zo jong ben ik ook weer niet. Toen ik eenmaal op die stoel zat bij de Volkskrant en mijn verhaal vertelde, realiseerde ik me dat het nergens op slaat om te denken dat ik te jong ben. Ik heb al in de VS gewoond, er journalistiek gestudeerd en heb een enorm netwerk. Als ik naar Soedan kan reizen om verhalen te maken of over de economie van Liberia kan schrijven, waarom zou ik dan niet in VS-correspondent kunnen zijn?

Ik ben relatief gezien jonger dan de meeste correspondenten die er werken, maar niet de enige jonge correspondent daar. Karlijn van Houwelingen was nog veel jonger dan ik toen ze begon. Misschien zijn de tijden inderdaad een beetje veranderd. Eigenlijk vind ik het normaal dat ik deze baan heb gekregen, en snap niet waarom dat ooit anders is geweest.


Share